Helpen leren geloven

Over het leren geloven (van m.n. jongeren) in de gemeente

We merken dat we steeds meer moeite hebben om jongeren en jongvolwassen in en bij de gemeente te betrekken en te houden. Een deel van de oorzaak is dat – decennia lang – de dingen in onze kerk nauwelijks zijn veranderd. Maar ondertussen is onze wereld, waarin jongeren nu opgroeien, wél sterk veranderd. En de jongeren van nu passen zich niet meer aan ‘ons’ aan zonder goede reden.

Het is voor veel kerken tijd om het geloof – en dus ook de plek in de kerk – van onze jongeren daarom opnieuw te doordenken. Dat moet je trouwens niet doen zónder de jongeren zelf. Dat is onderdeel van wat we ontdekten.

Op deze pagina vind je inzichten die we kregen uit ons werk

  • via gesprekken met jongeren en ouderen
  • uit onderzoek naar de cultuur van kerk en omgeving
  • naar materialen en voorbeelden van ‘best practices’
  • en we bieden drie profielen voor jeugdwerkers

vaak gehoorde zin
“ik heb geen zin”

 
Je verbinden aan God en kerk

De vanzelfsprekendheid waarmee tieners (10-20 jaar) in de 20e eeuw binnen de invloedssfeer van je kerk blijven, is grotendeels voorbij. Christelijke vrienden, een christelijke partner, niet werken op zondag maar naar de kerk, dat soort zaken zijn niet meer vanzelfsprekend. Jongeren hebben meer keuzevrijheid dan hun ouders vroeger. En ze leren ook dat keuzes maken erbij hoort: je profiel op school, e kleding, je films en muziek, je vrienden… en je kleding en uiterlijk, waar je je geld aan uitgeeft…

 

Uit onderzoek en uit de keuzes die tieners maken blijkt het volgende:

  • Als jongeren mogen kiezen, kiezen ze vaak niet voor kerkactiviteiten, want veel jongeren vinden die niet leuk. Thuis is veel leuker. Ook school is leuker (behalve huiswerk). Gemiddeld genomen kiezen jongeren er voor minder bij kerkactiviteiten betrokken te zijn.
  • Als ze wel kiezen voor de kerk (en dat is meestal ná hun 25e levensjaar) is dat meestal heel bewust. En later dan we gewend zijn van vroeger, vaak tussen het 25e en 28e levensjaar. En vaak samen met de ‘definitieve’ partner. Mensen die zo bewust kiezen zijn vervolgens betrokkenheid op elkaar, God en veel kerkelijke activiteiten.
  • Ouders hebben vaak een dilemma: Zij beleven de kerk op twee manieren. 1) Zélf, als mensen tussen de 35 en 50. 2) Door de ogen van de eigen tieners: ouders beleven en beoordelen de kerk vaak door de ogen van hun kinderen. En dan waarderen veel ouders kerkactiviteiten een stuk lager dan de ouders zonder tienerkinderen.

 

Waarom vinden tieners de kerk niet leuk?

  • Ze ontmoeten in de kerk lang niet al hun vrienden (hun groep).
  • Jongeren willen en moeten vaak zelf kiezen, maar kerkactiviteiten zijn verplichtend, vaak hetzelfde en gaan niet over ‘hun’ bestaan of vragen. En – dit komt er dan ook nog bij – jongeren leiden een druk en vol bestaan. Zondag zouden ze liever meer hun vorm van rust hebben.
  • Jonge tieners (11-16) hebben het gevoel dat de kerkdienst niet voor hen is. Veel gaat langs ze heen of vinden ze saai.
  • Jongeren hebben wisselende ervaringen met de ‘ruimte’ die ze ervaren in de kerk. Vaak zijn ze negatief over ‘dat er geen plek is voor hun manier van doen, hun vragen en hun voorkeuren’.

 

Wat kunnen we van onze tieners leren als gemeente?

Het bovenstaande stelt ons voor de vraag: wat willen we met/voor onze tieners? Paulus zegt op een gegeven moment “ik ben voor de Joden een Jood geworden en voor de Grieken een Griek.” Moeten wij dan voor de tieners een tiener worden? En zo ja, hoe doen we dat dan? En zo niet, wat doen we dan voor deze leden van onze kerk?

Theorie en achtergronden

Opgroeien in een post-christelijk wereld
De wereld waarin de tieners van nu opgroeien is post-christelijk. Hun vrienden zijn voor 25% tot 50% niet kerkelijk en/of niet-christelijk. En het christelijke deel van het netwerk is interkerkelijk. Jongeren zegt een ligging of kerkverband van NGK, CGK of GKV, evangelisch of Gereformeerde bonders al lang niets meer. Ouders vragen bij ‘verkering nog ‘Is die van de kerk’, voor veel jongeren is dat een vraag die zijzelf niet stellen.
Als je op je 16e naar het MBO gaat, nieuwe vrienden en vriendinnen kriigt zijn uiterlijk, karakter en interesse veel belangrijker dan evt. roots in kerk of van geloof.

 

De wereld is veel diverser. Er zijn mensen die geloven, andere niet, sommigen gaan naar de kerk. Of niet. Dat is gewoon zo.

 

Leren door proberen.
Jongeren leren door te doen en ze ontdekken door te proberen. Ze geloven wat ze zien en ervaren, niet wat anderen zeggen, tenzij dat geloof duidelijk doorleeft is en praktisch wordt. Wat nu goed is doe ik nu. Wat later komt… Dat zie ik dan wel weer. De hersenen van jongeren (om grote keuzes te maken en daarnaar te leven) blijken pas volledig rijp te zijn rond hun 30e. En dat was vroeger anders.

 

Anders leren, later kiezen… en de kerk?
Daarbij komt dat we als kerk het geloof vooral aanbieden via reguliere momenten van Bijbellezen aan tafel, via kerkdiensten en kerkelijk onderwijs. Het blijkt haaks te staan op hoe jongeren tegenwoordig leren en hun keuzes maken.

 

En ook sluit de lengte van ons kerkelijke onderwijs en het moment van belijdenis-doen steeds minder aan bij de veel langere periode van spirituele groei en de veel latere bewuste keuze om God centraal te zetten in je leven en je ‘echt’ te verbinden aan een kerk. Want dat gebeurt na het 25e. levensjaar. En daar blijken vaak sleutelfiguren (relaties) uit het vriendennetwerk belangrijk.

De ervaring van jongeren met de kerk vraagt van ons dat we doordenken wat de waarde is van geloof en kerkdienst voor verschillende leeftijdsgroepen.

Het helpt niet als we de kerkdienst leuker aankleden.

We zullen op zoek moeten naar manieren van aansluiten bij de leefwereld en vriendennetwerken van tieners. We moeten plekken faciliteren ‘waar ze geloof kunnen proeven’ en waar jongeren ‘zelf waarde mogen toevoegen’.

 

Dergelijk vormen en manieren moeten daarnaast aansluiten bij

  1. hun behoefte aan relatie en aandacht,
  2. hun behoefte aan ontspanning en leuke dingen doen,
  3. hun behoefte aan afwisseling en uitdaging.

Het zal een gezamenlijke zoektocht worden naar extra en nieuwe wegen voor geloof leren.

Daarom denken wij dat we als kerk aan een derde ‘weg’ moeten bouwen met en voor jongeren om geloof te ontdekken in een sfeer die weg blijft van moeten, saai en onderhandelen.

 

Dat betekent ook dat de mensen in de kerk van boven de 30 het leren van geloof en de wekelijkse kerkgang minder met elkaar gaan verbinden als ‘vanzelfsprekende combinatie’. We moeten willen accepteren dat dit niet meer werkt voor mensen die nu jong zijn. Ongeacht hoe we kerkgang en geloof leren daarin zelf vroeger en nu ervaren en waarderen.

 

Het is tijd om met jongeren samen te zoeken naar wegen waarin zij God mogen leren kennen, zoals wijzelf diezelfde God op onze eigen manier – in onze eigen tijd – hebben mogen leren kennen.

Onderdeel worden en zijn van netwerken
De netwerken waarvan jongeren deel uitmaken zijn voor hen belangrijk. Want een puber leert zichzelf te worden door zich los te maken van de invloed van zijn of haar ouders. Jongeren doen dat door ‘nieuwe’ beïnvloeders te zoeken in vriendengroep of, in hun ogen, succesvolle personen op wie ze willen lijken.

Vriendengroepen zijn peergroups. De puber kiest en krijgt een groep leeftijdsgenoten. Hij wil zo veel mogelijk een plek in deze groep en ‘erbij horen’. Een puber is bereid ver te gaan in die aanpassing omdat het voor hem belangrijk is dat hij door deze vrienden wordt geaccepteerd.

 

Uitermate gevoelig
Pubers zijn zeer gevoelig voor wat de ander van hen denkt. Daarom zal een puber zich enerzijds aan willen passen aan wat ouders denken en verwachten en anderzijds zich willen aanpassen aan de subcultuur van de groep; normen en waarden voor gedrag en uiterlijk worden overgenomen. De peergroup schrijft voor hoe je er wel of niet uit moet zien als jongen of meisje. Ook bepaalt deze het taalgebruik.
De invloed van de groep leeftijdsgenoten kan zowel positief als negatief zijn.

 

Wat peergroups bieden:

  • een referentiekader voor ‘nieuwe’ normen en waarden;
  • steun en veiligheid;
  • een experimenteeromgeving.

 

Nieuwe referentiekaders
De normen en waarden die de jongere in zijn jeugd heeft meegekregen, zijn in de puberteit niet meer vanzelfsprekend. De puber is op zoek naar nieuwe referentiekaders; richtlijnen voor gewoonten, regels en normen die nu beter bij hem passen. In de peergroup vindt de jongere leeftijdsgenoten die hem aan informatie en contacten kunnen helpen.

 

Steun en veiligheid
De jongere zoekt ook steun en bescherming. Als het lukt om door de groep geaccepteerd te worden, geeft de peergroup een vorm van zekerheid en veiligheid. Als de jongere met zijn persoonlijke eigenschappen of vaardigheden het groepsbelang kan dienen, kan dit een gevoel van eigenwaarde of zelfs status opleveren. En het gevaar is dat het zelfrespect van de puber afhankelijk wordt van de waardering en acceptatie door de anderen. Ook de veiligheid is betrekkelijk: er kan juist somberheid en angst ontstaan als de puber niet kan voldoen aan de groepsnorm.

 

Experimenteeromgeving
Jongeren leren veel van elkaar, vooral als ze zich voldoende veilig kunnen voelen in de groep. De peergroup kan een veilige experimenteer-, leer- en oefenomgeving voor de puber zijn.

  • Welk gedrag wordt wel en welk gedrag wordt niet geaccepteerd van zichzelf en anderen?
  • Wanneer toon je de gevoelige of begripvolle kant van je persoonlijkheid?
  • Hoe flirt je en ga je om met ‘de andere sekse’

Minstens drie typen jongerenwerkers


De opbouwwerker of adviseur
De persoon die, in overleg met / aangestuurd door een stuurgroep of kerkenraad, het jeugdwerk helpt opzetten en inrichten, beleidsvoorstellen doet en mensen meeneemt in die richting en dat beleid


De coach / stimulator

De persoon die leden van de gemeente ondersteunt die (gaan) meewerken in het jeugdwerk en contact hebben met hun jongeren. Dus iemand die contact heeft met de teams en werkgroepen, met catecheten, de voorbereiders van de jongerenreis of -kamp, etc.

Het is iemand die de mensen zoekt, helpt en coacht om namens de gemeente, in werkgroepen, teams en als individu, ‘hun’ jongeren zo goed mogelijk te ondersteunen en helpen Christus te volgen. En daarnaast binnen de gemeente plekken help maken die bij jongeren passen.

 

Daarin adviseer en coach je groepen, coördineer je het werk tussen de groepen, denk je mee in het opzetten van nieuwe mogelijkheden en help je volwassenen om een plek te vinden in (evt. tijdelijke) teams en werkgroepen en coach je, waar nodig, die teams ook weer.


De jongerenwerker (uitvoerend jeugdwerk)

De persoon die rechtstreeks met de jongeren contact heeft, voor hen vaak één van de ‘gezichten’ van de kerk is  (net als bv de predikant, catecheet etc,). Iemand die daarnaast ook role-model en mogelijk gelovig en mooi identificatiefiguur kan zijn voor jongeren


Rollen zijn niet scherp afgebakend

In het werk lopen rollen vaak wat door elkaar heen en beïnvloeden ze elkaar ook. Wel moet je als gemeente kiezen welke ‘hoofdrol’ een jeugdwerker moet gaan vervullen.
Een adviseur en coach vraagt vaak een ander type kwaliteit (en soms een ander salaris) dan dat van uitvoerend jeugdwerker.

Wanneer heb je wie nodig?

Wanneer het jeugdwerk moet worden omgebouwd en opnieuw richting wordt gezocht… heb je de opbouwwerker / adviseur nodig. Vaak is zo iemand maar 6 maanden nodig, trouwens.

  • Het gaat hierbij m.n. om meedenken en -bouwen aan de contouren van het jeugdwerk-beleid en de inrichting ervan de komende jaren.
  • Wanneer je vooral in de gemeente zélf meer mensen op een goede manier betrokken wilt hebben met jongeren: met ze optrekken, pastoraal actief te zijn, etc…, dan zoek je een coach / stimulator.
    Vaak heb je zo iemand hooguit een jaar nodig.
    Het gaat als eerste om opbouw en versterken van de mensen en teams van gemeenteleden die het jeugdwerk mee helpen uitvoeren.
  • Wanneer je in de gemeente niet veel mensen hebt die de gave én de tijd hebben met jongeren op te trekken.. Óf wanneer je jongeren núiten de kerk wilt betrekken bij geloof en kerk… dan zoek je een (missionair) jongerenwerker.
    Zo iemand werkt en is vooral relationeel sterk. En deze persoon neem je als gemeente vaak voor langere tijd in dienst.

In de kerk leven we allemaal in de 21e eeuw. Maar…

  • Een deel van de leden is gevormd in de 20e eeuw:
    de mensen boven de 35 of 40.
  • Een ander deel is en wordt gevormd in deze 21e eeuw
    de mensen onder de 35.

Buiten de randstad en de universiteits-steden kijken deze twee groepen kerkleden vaak ook verschillend tegen de wereld en de kerk aan.

Hieronder vind je typeringen van elk van die perspectieven

Typering 20e eeuw

  • De kerk van de 20e eeuw: mensen waren aangesloten bij de kerk. De kerk zorgde ook voor tal van activiteiten: kerkdiensten, catechese, verenigingen voor oud en jong. Je ging ernaar toe, omdat je geloofde en ‘het Woord wilde horen’.
  • Thuis werd er 3x per dag aan tafel uit de Bijbel gelezen en gebeden.
  • Het christelijk geloof werd in de kerk, de vaste momenten aan tafel en via catechese en bijbelstudie-verenigingen beleefd en doorgegeven aan de volgende generatie.
  • Men had ook weinig vrienden buiten de kerk.

 

PROBLEEM VAN VEEL GEMEENTEN
Als gemeente doen we nog vaak de dingen van die 20e eeuw, en voor een groot deel werkt dat ook nog prima. Vaak is in een dorp of stad tot wel 40% van de mensen lid van een kerk. Maar … onze jeugd leeft in de 21e eeuw en voor hen werkt het (vaak) niet meer.

 

Typering 21e eeuw

  • Het christelijk geloof is in een minderheidspositie gekomen. Slechts 18% van de Nederlanders bezoekt een kerk.
  • In gezinnen met tieners komt het veel minder voor dat er gezamenlijk gegeten wordt, vanwege sport, muziek, baantjes en afspraken. Regelmatig bijbellezen aan tafel staat onder druk.
  • In de hele samenleving worden instituten afgebroken: vakbonden, omroepverenigingen, politieke partijen, etc. En dit gebeurt ook met de plaatselijke kerk en zeker met het instituut kerkverband. Mensen verbinden zich niet meer aan een instituut.
  • Deze ontwikkeling speelt bij onze jeugd heel sterk.
    Jongeren zijn constant online. Ze shoppen, zappen en appen hun leven bij elkaar uit een oneindige rij van keuzes en zo kiezen ze ook de mensen met wie ze willen omgaan.
  • Ook de kerk is voor veel jongeren één van de vele aanbieders op een drukke markt.

 

Dit vraagt nieuwe manieren van kerk zijn

  1. Moederkerk – sterk, zendend, nodigend, herberg
    Een kerk die als instituut nodig blijft voor continuïteit: menskracht, bestuur, toerusting en financiën. Noem dit een moederschip.
  2. Netwerken – verbindend, vloeiend en actief
    Een netwerkkerk wil zijn waar mensen zijn. Het draait om groepen mensen die een tijd met elkaar op trekken. Op een manier die past of aansluit bij het leven en de belangstelling van dat moment. Noem dit kano’s, sloepen en zeilboten.
  3. Reddingsboten – uitvarend, zoekend en zichtbaar
    Een netwerkkerk vaart uit. Het gaat richting mensen die niet in een moederschip komen, en die niet meevaren in sloepen en bootjes.
    Een moederkerk kan diverse reddingsboten inrichten en paraat staan. Zo kan ze jongeren zoeken en aan boord helpen.

 

Zo;n moederkerk is hard nodig. Vaak kunnen mensen van de 20e eeuw zo;n schip ook prima in de vaart houden. En organiseren dat er twee anders soortige bootjes bijkomen: netwerk-boten en reddingsboten,
Daarbij nodig je jongeren niet in de eerste plaats uit om mee te gan werken in het moederschip, maar breng je kerk bij hén.

Dat vraagt dat we kerk ‘inbedden’ in vloeiende netwerken:

  • Met jongeren optrekken: Zijn waar zij zijn. Hen kennen, waarderen, en meeleven.
  • Vanuit deze basis met elkaar het leven delen – ook geloofsleven. In de praktijk van het leven van de gelovige zien wat het betekent Christus te volgen.
  • Samen eten, samen verjaardagen vieren, bij het huiswerk helpen, samen in de tuin werken, samen zorgen voor iemand in nood, samen bidden met een zieke, samen op stap gaan.
  • Laten zien dat je familie bent. Broers en zussen van een uitgebreide familie, de familie van Jezus Christus in actie. Jongeren worden als kind in deze uitgebreide familie opgenomen en leren daar geloven in de praktijk.
  • In je eigen passie (duurzaamheid, sport, een hobby, ouderenwerk, jongerenwerk, alleengaanden, buurtwerk, kunst) ontdekken dat de Heilige Geest in je aan het werk is en je kan gebruiken. Waar mogelijk passies met elkaar combineren en samen optrekken. Zo kunnen bijv. sportieve kerkleden en sportieve jongeren elkaar vinden
  • Op allerlei manieren ‘geloofservaring’ (experience) proberen te scheppen. Dus ter plekke momenten inbouwen, waarin je iets van God kan merken of zien.
  • Geloven krijgt vorm in het samenwerken en natuurlijk ook in persoonlijke getuigenissen, die terloops in het leven van alledag worden gedeeld, als zout in de pap.

 

Dit alles vraagt om een cultuuromslag in het leven van de gemeente. Het vraagt voor 20e eeuwers vooral visie en soms offerbereidheid om zó kerk te zijn  (ook met andere manieren) om je 21e eeuwers voor Christus te behouden of te winnen.